header verhalen

 


 

Overzicht verhalen

01- De grafvondst van mijn stamvader Kan Keng Tiong en het fenomeen van Mandarijnen in Nederlands Indië

02- Het massagraf

03- Djakarta, Jalan Teuku Umar 15, het laatste huis van H.H. Kan

04- Het nummer op de gele Universitas Indonesia jacket

05- Het Amateur Orkest van Djakarta

06- Algemeen Vernietigings Corps

07- De Chinese Heren van de Thee

08- De voorouderaltaren van de Kan-Han-Tan clan

09- De Doodskist van overgrootmoeder Thung Leng Nio als voorbeeld van een Traditionele Chinese Kist

10- Tan Goan Piauw en Thung Leng Nio

11- Villa Meiling, te Bandoeng, een historisch gebouw voor Nederlands Indië

12a- Tan Tjoen Lee en Han Tek Nio
12b- Tan Tjoen Lee
12c- Han Tek Nio

13- Kan Keng Tjong overzicht

14- Desiree Tan (Hoei Nio)

15- Bommeltje

16- H.L.L.Kan en de Opium- en Zoutregie in Nederlands Indië

17- Muziek in mijn familie

18- Gedong Dalam - een Paladio Villa in Nederlands Indië

19- De Dood van Ferry Tan en de mislukte doofpotaffaire van s.s. Insulinde

20- De verdwenen Compagnie Seepers van de Stadswacht van Batavia

21- Han Oen Lee en Kan Oe Nio

22- Ganti Nama, de verplichte naamsverandering van Chinese Indonesiers en andere racistische regels in Indonesie

23- Begrafenissen en graven bij de familie Kan-Han-Tan

24- Tan Tjoen Liang de eerste Nederlands Indische Chinese Ingenieur  aan de TH Delft.

 

 

 
 
 

7. De Chinese Heren van de Thee

Inleiding

 

Als je had gedacht dat je na 10 jaren onderzoek wel een aardig overzicht had van de activiteiten van je voorouders dan kun je soms tot grote verassingen komen. Dit overkwam mij toen ik een email kreeg van een zekere heer J.J.P. de Jong. De heer de Jong doet onderzoek naar Indische en Chinese families in de negentiende eeuw. Specifiek gold zijn onderzoek de families die actief waren geweest bij het opzetten van nieuwe ondernemingen, thee- en koffieplantages, suikerfabrieken etc. Hij had ontdekt dat de fameuze theeonderneming Sinagar in de Preanger gebied (bekend van de “Heren van de Thee” van Hella Haase /1/) mogelijk grotendeels was opgezet door een voorvader uit de Tan tak van mij. De heer de Jong benadrukte dat zijn bron betrouwbaar was, namelijk een officiële studie naar de gouvernementscultuur uit 1869, gebaseerd op officiële documenten. Hij mailde me omdat hij moeite had met het terugvinden van al de namen in mijn stamboom op internet www.genealogieonline.nl/stamboom-kan-han-en-tan/. Achteraf bleek dit te komen door schrijffouten en/of de verschillende manier van schrijven van de Chinese namen in de officiële ambtelijke berichten. Zo werd ik dus plotseling geconfronteerd met vragen over een Theeonderneming in de familie waarvan ik nog nooit iets had gehoord.

Navraag bij de oudste nog levende neef van de Tan tak: Tan Eng Swie, leverde een verrassende ontknoping. Het bleek dat Tan Eng Swie een fotokopie had van een contract, hij kon het schrift niet ontcijferen en had het dus nooit doorgelezen. Nu kon Ems Zuidgeest, door haar onderzoek van haar eigen stamboom, handgeschreven Oud Nederlandse documenten wel lezen. Dus heeft ze het gehele contract uitgetypt. Nu was het contract wel te lezen en bleek het een Theecontract te zijn gedateerd 29 juli 1843. De heer de Jong die niet van dit theecontract wist, kwam dus via die officiële regeringsstudie met de juiste informatie. Het theecontract maakte deel uit van de concessies uitgegeven door het Nederlands Indisch gouvernement in het kader van het zogenaamde CULTUURSTELSEL. Een schok om je te realiseren dat je voorouders meegedaan hadden aan het Cultuurstelsel.

Dit Cultuurstelsel werd in 1830 ingevoerd onder Gouverneur Generaal van den Bosch door de Nederlandse regering in hun kolonie Nederlands Indie. Hierbij moest een deel van de verbouwde landbouwgrond door de lokale bevolking worden gereserveerd voor oogst van producten die konden worden geëxporteerd. In Indonesie wordt dit tegenwoordig op school bij geschiedenisles aangeduid als Tanam Terpaksa (gedwongen beplanting) omdat de lokale bevolking gedwongen werd het beste deel van hun landbouwgrond met Cultuurstelsel-gewassen te beplanten. Dit resulteerde in te weinig grond en tijd voor verbouwing van voedsel en het gevolg was hongersnood onder de bevolking.

Thee behoorde tot de producten die zouden worden verbouwd op de plantages van het koloniaal gouvernement. Daarom groeiden reeds in 1827 ca. 13.000 tot 17.000 theeplantjes succesvol op in ‘s Lands Plantentuin te Buitenzorg. Deze planten waren nakomelingen van de originele plantjes die nog waren geïmporteerd door de heren von Siebold en Jakobson en geplant door de heer de Serrière met behulp van Chinese planters(?). Daarom kon op de eerste Koloniale Industriële Tentoonstelling van August 24, 1828 thee worden geproefd.

Als eerste theeplantages werden in de Preanger een gebied gekozen op de locaties Bodjanegara, Tjioemboeloeit, , Radjamandala en Tjikadjang [/2/,p. 149]. In 1842 werd door het koloniaal bestuur besloten om nog 3 nieuwe contracten tot particuliere exploratie uit te geven op de locaties: Sinagar, Perakansalak en Djatinangor. Het oppervlak van te exploiteren landerijen was 300 bouw (ofwel 0,21 km2; 1 bouw = 7.096,50 m2).

De zoektocht naar ontbrekende puzzelstukjes

Theecontract

Na de ontdekking van het theecontract begonnen we tezamen met Tan Eng Swie een zoektocht naar de ontbrekende puzzelstukjes.

Het theecontract van 29 juli 1843, inzake de theeplantage Sinagar is formeel gesloten tussen het Nederlands Indisch Gouvernement en ene Tan Soeij Tiong, Luitenant der Chinezen in Buitenzorg. Echter in de Regeringsalmanak van dat jaar 1843 wordt als enige “Luitenant” of "Luitenant titulair" voor Buitenzorg Tan Soeij Tiang vermeld. Dus in dit contract is hij ten onrechte als Tan Soeij Tiong opgevoerd.

Met dit theecontract verkreeg Tan Soeij Tiang het recht om voor het Nederlands Indische Gouvernement thee te verbouwen en te leveren tegen een vastgestelde prijs en kwaliteit. De thee moest worden verbouwd op het land Sinagar in de buurt van de stad Tjiandjoer eigendom van de het Gouvernement en gratis verhuurd [in leen gegeven] aan Tan Soeij Tiang voor dit doel. Het contract was voor een duur van 20 jaar.

Tan Soeij Tiang is de jongere broer van mijn bet-overgrootvader Tan Soeij Tjoe. Tan Soeij Tjoe [1808-1850] tekent het contract mede als een van de twee hoofdelijke medeschuldenaren. Het feit dat Tan Soeij Tjoe zich "zonder recht van uitwinning en schuldsplitsing" onbeperkt garant stelde voor zijn jongere broer Tan Soeij Tiang zou erop kunnen wijzen dat laatstgenoemde als stroman voor Tan Soeij Tjoe (hoofd van de "extended Tan-Family") fungeerde. Dat dus het gehele theater een aangelegenheid was van Tan Soeij Tjoe. Immers Tan Soeij Tjoe was handelaar; het is ongetwijfeld eenvoudiger voor een Luitenant der Chinezen om voor een theecontract in aanmerking te komen, dan voor een handelaar.

In 1847 ging Tan Soeij Tiang failliet. In de boedel van Tan Soeij Tiang bevond zich het theecontract van 29 juli 1843. De liquidatrice (de "Weeskamer") veilde het contract. Bieders waren B.B.Crone en Tan Goan Kee [wiens juiste naam volgens onze stamboom Tan Goan Koeij zou zijn; een zoon van Tan Soeij Tjoe, en "aangenomen" als zoon door Tan Soeij Tiang]. Naar werd verteld had B.B. Crone toegezegd zodanig te bieden dat de prijs niet werd opgedreven, op voorwaarde dat als het theecontract aan Tan Goan Kee werd gegund, Crone zonder enige betaling aan Tan Goan Kee, voor 50% deelgenoot zou worden in het theecontract van 29 jul 1843. Wellicht was Tan Goan Koeij, net als zijn "aangenomen" vader Tan Soei Tiang, een stroman van zijn biologische vader Tan Soeij Tjoe.

B.B. Crone was, totdat het theecontract aan Tan Goan Koeij was toegekend 1e Kommies bij de Direktie der Cultures. Een heel belangrijk aspect, zoals later zou blijken! Hij en Tan Goan Koeij verkeerden in dezelfde vriendenkring. Zoals in die tijd gebruikelijk werden de slecht betaalde 's lands-ambtenaren veelvuldig bij vermogende Peranakan-Chinese families thuis gevraagd. Er was, vooral voor de ambtenaren zonder gezinnen in hun standplaats weinig ander vertier te vinden. Tan Goan Koeij overleed in 1853. Tan Soeij Tjoe was toen al, in 1850, overleden. Diens zoon Tan Goan Pouw (in referentieboeken over thee plantages /2,3/ soms foutief gespeld als Pau, en soms als Pauw en dan weer Pouw. Dit was de oorzaak voor de email van de heer de Jong), Tan Goan Pouw dus, was een oudere broer van mijn overgrootvader Tan Goan Piauw.

Op 22 januari 1854 werd de 50% van het theecontract van Tan Goan Koeij notarieel op naam van Tan Goan Pouw overgezet; het Nederlands Indisch Gouvernement keurde dit goed. Aldus zou 50% van het theecontract, niet slechts economisch ofwel beneficiair , doch ook juridisch (weer) tot het vermogen van de “Tan Soeij Tjoe tak" zijn gaan behoren.

Helaas!, besliste de "Hoge Regering" in Nederland: deze goedkeuring was in strijd met de wet:

Krachtens Stbl. 1856, nr.64 mochten (teneinde Europese planters voor concurrentie van niet-Europeanen, dus ook van "inlanders" en Oosterse vreemdelingen te behoeden) theecontracten namelijk nog maar uitsluitend met Europeanen en met Europeanen gelijkgestelde worden gesloten, en oude contracten verlengd. De inschrijving van Tan Goan Pouw als medecontractant van Crone kwam neer op een nieuw contract voor de restduur van het oude contract, dat was in strijd met de wet, dus nietig.

De Chinees Tan Goan Pouw als Oosterse vreemdeling kon immers nimmer medecontractant van Crone worden omdat hij niet met Europeanen was gelijkgesteld!

Toen het theecontract van 1843 tussentijds moest worden aangepast in het kader van de wettelijke commercialisering van alle theecontracten, werd dit als een nieuw contract aangemerkt en werd B.B.Crone als enige contractant in de overeenkomst vermeld. Tan Goan Pouw, die alle investeringen in het project uit eigen vermogen had bekostigd, was (althans juridisch) met één pennestreek al zijn investeringen kwijtgeraakt, en afhankelijk geworden van de eerlijkheid van (een geluk voor hem) de vriend van de familie, B.B. Crone. Economisch ofwel beneficiair mede-eigenaar (50%) was Tan Goan Pouw nog steeds "stille vennoot " van Crone, en dus juridisch onzichtbaar!

Dat het met Tan Goan Pouw sympatiserende Nederlands Indisch gouvernement dit terdege besefte blijkt uit de overweging "dat het voor Tan Goan Pouw niet zo important was dat hij niet meer in het theecontract werd genoemd, want hij bleef immers zijn vergunning tot verblijf op de theeonderneming behouden....." [Dit zou als Chinees volgens het toen geldende PASSENSTELSEL niet mogelijk zijn om buiten de Chinese wijk te wonen). Tan Goan Pouw kreeg die vergunning wellicht als huurder/verkapte stille vennoot van Crone.]

Uit wat aantekeningen van mijn "Tante Non" [Tan Tjing Nio, dochter van Tan Tjoen Keng, kleindochter van Tan Goan Piauw] maakte we op dat Tan Goan Pouw op Sinagar heeft gewoond. Dit wordt bevestigd door mr. J.A. v.d.Chijs,( /3/ p.177).
Crone heeft het theecontract aansluitend in 1863 verlengd met Tan Goan Pouw als huurder/stille vennoot.

mededeling
 
oostpost

Op 22-1-1856 woedt er een hevige brand in het thee etablissement van Sinagar. Blussen was niet meer mogelijk. Het etablissement behoort aan Hr. B.B. Crone, die het echter aan de Chinees Tan Goan Pouw verhuurd heeft en op wie dus de belangrijke schade van ca f.150.000 neerkomt, als zijnde er tussen de 50.000 en 60.000 pond thee, welke voor de keuring gereed stond, benevens 60 tjaings padie verbrand."

Per 1 augustus1863 komt E.J. Kerkhoven in dienst als plaatsvervangend administrateur van Sinagar. [/4/ p. 133].

Het theecontract is in 1863 door B.B. Crone verkocht voor f.200.000 aan G.L.J. van der Hucht, t.b.v. A. Holle en E.J. Kerkhoven [/4/, p. 142]; Maar in het Aardrijkskundig en statistisch woordenboek van Nederlandsch Indie van 1869 staan nog steeds B.B Crone en Tan Goan Pouw als eigenaar van Sinagar vermeld.
 
aswni

E.J. Kerkhoven wordt namens zijn familie als administrateur aangesteld. Na het overlijden van Albert Holle in 1885 werd E.J. Kerkhoven directeur van Sinagar [/4/, p. 142].
Hier begint het boek “de Heren van de thee” van Hella Haase.

Nawoord

Dit verhaal is een mooie illustratie van hoe je door je stamboom op internet te zetten informatie krijgt over onbekende familiezaken. Onze dank gaat dan ook uit naar de heer J.J.P. de Jong die ons van de theegeschiedenis bewust heeft gemaakt en naar Tan Eng Swie die in zijn archief nog nadere toelichting kon vinden en geholpen heeft om de zoektocht naar de ontbrekende puzzelstukjes te voltooien.

Op de website van het theefamiliearchief staat een foto van de Oermoeder Tan Goey (of Gwie) La Nio.

Behalve dat ze de Njai van E.J. Kerkhoven wordt genoemd kom je weinig te weten over deze vrouw, wel dat ze uit het Chinese kamp achter het administrateurshuis komt. Of ze bijvoorbeeld familie is van Tan Goan Pouw zijn we helaas niet te weten kunnen komen.

Literatuur

/1/ Hella S. Haasse; "De Heren van de Thee"; Querido, 2002.

/2/ Cohen Stuart; “Gedenkboek der Nederlandsch Indische Theecultuur”.

/3/ Chijs, mr. J.A. v.d.; "Geschiedenis van de Gouvernements Thee-Cultuur op Java", Mart. Nijhof, 1908.

/4/ Marga C. Kerkhoven; Eduard Julius Kerkhoven 20 Indische brieven 1860-1863; Theefamilie archief 2010.

/5/ mr. Eng-Swie TAN, “Mijn Roots (deel 3), HUA YI MAGAZINE, JRG. 28-nr.1, maart 2015.

/6/ Het Thee familie archief op : http://www.theefamiliearchief.nl/

/7/ Thee contract Tan Soeij Tiang


S.Y. Kan, Berkel,
Laatste update  april 2018

 

Dit artikel is eerder in verkorte versie gepubliceerd op www.CIHC.nl

 

terug naar begin